"Helder tot half bewolkt, droog weer. Zelfde temperatuur als gisteren. Zwakke tot matige Noordelijke tot Oostelijke wind." Zo luidde het laatste weerbericht dat het KNMI naar de kranten stuurde op 9 mei 1940. 

Toen op 10 mei het Duitse leger Nederland binnenviel vertrokken de KNMI-medewerkers die verantwoordelijk waren voor de weersvoorspellingen volgens een vooraf opgesteld noodplan uit De Bilt. Hun kennis en vaardigheden waren van militaire betekenis en ze mochten daarom niet in Duitse handen vallen.


Van Rossem Vertelt over het weer in de Tweede Wereldoorlog

Nadat de weermannen enkele dagen door het land waren getrokken capituleerde Nederland. De nazi's namen met het landsbestuur ook het meteorologisch instituut en dus alsnog alle medewerkers over. Alleen de Joodse bibliothecaresse Kittie Koperberg uit Utrecht werd na een half jaar ontslagen. Ze dook later onder, maar werd gevonden en drie jaar na de inval vermoord in vernietigingskamp Sobibor.

Strategische informatie

De rol van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut veranderde na mei 1940 fundamenteel. De strategische informatie die uit het wetenschappelijk onderzoek kon worden gehaald werd afgeschermd tegen de vijanden van de Duitsers. En omdat het koningshuis voor de Duitsers geen rol meer speelde verloor het zijn K en heette het vijf jaar lang NMI. In De Bilt trok het Duitse gezag nu aan de touwtjes, maar voor weersverwachtingen vertrouwde Duitsland liever op de eigen weerdienst. Gedurende de hele bezetting heeft het weerinstituut in De Bilt daarom ook geen dagelijkse voorspellingen voor de media meer verzorgd.

Meteorologische informatie was al vanaf halverwege 1939 bepalend geweest voor het lot van ons land. Na de inval in Polen wilde Hitler direct de aanval op West-Europa inzetten. Omdat in het najaar de weersvoorspellingen aanhoudend slecht bleven, werd de operatie steeds uitgesteld. Pas in mei 1940 achtten de Duitsers de omstandigheden gunstig genoeg om het plan door te zetten.

Weer speelde doorslaggevende rol

Met name voor militaire doeleinden was accurate informatie over de luchtgesteldheid cruciaal. De grootste operatie waarbij het weer een doorslaggevende rol speelde was Operatie Overlord, beter bekend als D-day. De invasie in Normandië werd oorspronkelijk gepland op 5 juni 1944. De geallieerde troepen wilden de stranden bij springtij innemen. Vanwege het maximale verschil tussen eb en vloed konden ze bij laag water de vele versperringen ontdekken en onschadelijk maken. Het weer zorgde echter voor slecht zicht en de operatie moest worden uitgesteld.


Amerikaanse infanteristen bestormen Omaha Beach op 6 juni 1944. Foto: beeldbank NIOD

Generaal Eisenhower wachtte echter niet tot de volgende volle maan. Weerkundigen gaven vanaf schepen op zee en uit tot weerstation omgebouwde bommenwerpers hun bevindingen en locaties door. Duitse meteorologen hadden geen opklaring verwacht, maar de geallieerden voorspelden met hun waarnemingen in het westen dat er net achter een slechtweergebied een periode zou komen waarin de landingen nog een kans maakten. Ze kregen gelijk en Eisenhower verrastte de Duitse verdediging volledig door op 6 juni alsnog het startsein te geven.

Scheepsjournalen

Het meteorologisch instituut in De Bilt heeft in de bezettingsjaren zo goed en zo kwaad als het ging doorgewerkt. Er waren in toenemende mate spanningen met de Duitsgezinde bedrijfsleiding. Echt moeilijk werd het toen het geallieerde front Nederland bereikte en het netwerk van meetstations niet goed meer functioneerde. Aan het einde van de oorlog namen de Duitsers miljoenen ponskaarten en ongeveer 20.000 scheepsjournalen mee naar hun eigen land. De ponskaarten zijn later teruggehaald, maar met de scheepsjournalen is een schat aan meteorologische gegevens verloren gegaan. Vermoedelijk zijn ze in handen van de Sovjetsoldaten gevallen.


Deze medewerkers van het meteorologisch instituut overleefden de oorlog niet. Kittie Koperberg stierf op 14 mei 1943 in vernietigingskamp Sobibor. Guus van Ginkel werd op 15 december 1944 gefusilleerd. Foto's: KNMI, bewerking door RTV Utrecht

De informatie die in De Bilt werd verzameld was sinds mei 1940 bestemd voor het Duitse gezag. De clandestiene waarnemingen die medewerker Guus van Ginkel via een Utrechtse verzetsgroep naar Londen stuurde verdienen in dit verhaal daarom een bijzondere vermelding. Van Ginkel was radiotelegrafist en voorzag de geallieerden zo van strategische inlichtingen. Op 17 november 1944 werd hij op zijn werk gearresteerd en opgesloten. Nog geen maand later, op 15 december, werd hij gefusilleerd als repressaille voor een aanslag van het verzet op een trein.

Weerbericht hervat

Op 26 maart 1945 werd het weerinstituut gesloten en tot verboden terrein verklaard. Na de bevrijding pakte het KNMI snel de draad weer op. De K van koninklijk werd in ere hersteld en na enkele maanden werd ook het publieke weerbericht hervat. Op 15 augustus 1945, de dag waarop Japan capituleerde en de kranten jubelden over wereldvrede, voorspelde het KNMI na vijf lange jaren:

"Zwaar bewolkt met plaatselijk een enkele bui. Zelfde temperatuur. Noordelijke wind."